Box 3 is de belasting over je spaargeld, beleggingen en ander vermogen. In 2026 is er gelukkig geen grote verandering meer, na eerdere plannen die uiteindelijk zijn teruggedraaid. Toch zijn de cijfers voor 2026 flink anders dan die van 2025, en is het belangrijk om te begrijpen hoeveel belasting je precies betaalt over sparen en beleggen. In dit artikel leggen we stap voor stap uit hoe box 3 in 2026 werkt, wat het heffingsvrije vermogen is, welke forfaitaire rendementen gelden en hoe de tegenbewijsregeling je kan helpen minder te betalen.
Wat is box 3 precies?
De Nederlandse inkomstenbelasting is verdeeld in drie boxen. Box 1 betreft inkomen uit werk en woning, box 2 gaat over aanmerkelijk belang in bedrijven en box 3 gaat over inkomen uit sparen en beleggen. Onder vermogen in box 3 vallen je spaargeld, beleggingen (aandelen, ETF’s, obligaties, cryptovaluta), een tweede woning of ander vastgoed, en contant geld boven 672 euro per persoon. Het huis waarin je zelf woont valt niet in box 3, maar onder box 1 vanwege de hypotheekrenteaftrek.
De Belastingdienst belast niet wat je werkelijk aan rendement hebt ontvangen, maar een fictief of forfaitair rendement dat wordt vastgesteld op basis van de gemiddelde rendementen per categorie. Dit systeem staat al jaren onder druk, omdat het niet altijd aansluit bij de realiteit. Vanaf 2028 zou het werkelijke rendement belast moeten worden, maar dat is nog even afwachten.
Het heffingsvrije vermogen in 2026
Eerst het goede nieuws: het heffingsvrije vermogen is in 2026 hoger dan in 2025. Eind november 2025 besloot de Tweede Kamer om het eerder voorgestelde verlaagde bedrag van 51.396 euro terug te draaien. Het heffingsvrije vermogen in 2026 is 59.357 euro per persoon. Voor fiscaal partners samen is dat 118.714 euro. Tot dit bedrag betaal je geen box 3-belasting.
Ter vergelijking: in 2025 lag het heffingsvrije vermogen op 57.684 euro per persoon. De stijging is beperkt, maar welkom. Een alleenstaande met 58.000 euro spaargeld valt in 2026 dus onder de vrijstelling en betaalt niets. In 2025 zou dezelfde persoon nog net boven de grens uitkomen.
De forfaitaire rendementen in 2026
Over het vermogen boven het heffingsvrije bedrag wordt gerekend met fictieve rendementen. Er zijn drie categorieën: banktegoeden (spaargeld), overige bezittingen (beleggingen, vastgoed, crypto) en schulden.
Voor 2026 gelden (deels voorlopig) de volgende forfaits: spaargeld krijgt een fictief rendement van 1,28 procent, overige bezittingen 6,00 procent (teruggedraaid van het eerder aangekondigde 7,78 procent) en schulden worden verrekend met een rendement van 2,70 procent. Het belastingtarief over dit fictieve rendement is 36 procent, gelijk aan 2025.
Een concreet voorbeeld: je hebt 150.000 euro spaargeld, geen beleggingen, geen partner en geen schulden. Het heffingsvrije vermogen van 59.357 euro gaat eraf, dan blijft 90.643 euro over. Daarover wordt 1,28 procent fictief rendement gerekend: 1.160 euro. De belasting is dan 36 procent van 1.160 euro, ofwel 418 euro. Dat klinkt overzichtelijk.
Beleggers betalen meer
Voor beleggers ligt het minder gunstig. Stel je hebt 150.000 euro volledig in beleggingen. Na aftrek van het heffingsvrije vermogen blijft 90.643 euro belast tegen 6 procent fictief rendement: 5.439 euro. De belasting is 36 procent daarvan, ofwel 1.958 euro. Dat is bijna vijf keer zoveel als bij hetzelfde bedrag op een spaarrekening.
Dit verschil leidt soms tot ‘peildatumarbitrage’: het tijdelijk omzetten van beleggingen naar spaargeld rond 1 januari om minder belasting te betalen. De Belastingdienst heeft daar echter regels tegen ingesteld: als je binnen drie maanden voor en na de peildatum van beleggingen naar sparen schuift, wordt deze truc genegeerd en word je belast alsof je niet had omgezet.
De tegenbewijsregeling: betaal wat je echt hebt verdiend
Sinds de zomer van 2024 is er een belangrijke nieuwe mogelijkheid: de tegenbewijsregeling. Als je kunt aantonen dat je werkelijke rendement lager was dan het forfaitaire rendement, betaal je alleen belasting over je echte winst. Deze regeling kwam er nadat de Hoge Raad in 2024 oordeelde dat het forfaitaire systeem niet altijd eerlijk uitpakt.
Om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken, moet je administratie kunnen laten zien. Denk aan jaaropgaven van je broker, bankafschriften met ontvangen rente, dividenduitkeringen en eventuele kosten zoals beheerfees. Voor beleggers die een slecht jaar hebben gehad kan dit honderden tot duizenden euro’s schelen. Let wel: het werkelijke rendement moet worden berekend volgens de regels van de Belastingdienst, dat is niet altijd een-op-een gelijk aan wat je in je beleggingsapp ziet.
Fiscaal partner? Verdeel slim
Als je een fiscaal partner hebt, kun je de grondslag sparen en beleggen vrij verdelen tussen jullie twee. Elke verdeling is toegestaan, zolang het totaal 100 procent is. Dat kan interessant zijn als een van jullie meer inkomen heeft of andere aftrekposten. Overleg met een belastingadviseur of maak gebruik van het aangiftesysteem, dat vaak automatisch de meest gunstige verdeling voorstelt.
Wat verandert er vanaf 2028?
De Nederlandse overheid werkt aan een nieuw box 3-stelsel dat vanaf 2028 zou moeten ingaan. Het idee: in plaats van een fictief rendement wordt je werkelijke rendement belast. Een heffingsvrij drempelbedrag van 1.800 euro per jaar staat daarbij boven de belasting. Boven dat bedrag geldt 36 procent belasting over het werkelijke rendement. De huidige heffingsvrije vermogensgrens vervalt dan volledig.
Dit nieuwe stelsel moet nog door Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen. Tot die tijd geldt het forfaitaire systeem. Voor meer context over beleggen kun je onze gids voor beginnende beleggers lezen.



